JOYCE LANGEZAAL

Joyce Langezaal ontwerpt tentoonstellingen voor het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) en dat is een vak apart. Aan Spacesoup vertelt Joyce het geheim van de smid: ‘Een goede tentoonstellingsontwerper moet vooral goed kunnen luisteren, vooral naar degenen die bij de tentoonstelling betrokken zijn.’

Portret Joyce

Kun je kort vertellen wat je doet bij het NAi?
‘Ik ontwerp tentoonstellingen voor het NAi. Niet alle tentoonstellingen die hier te zien zijn worden door mij ontworpen, het komt bijvoorbeeld ook voor dat een architect zijn eigen expositie ontwerpt. Naast het ontwerpen van tentoonstellingen houd ik me in het NAi bezig met de inrichting van de kantoorruimtes en de publieke ruimtes. Zo heb ik bijvoorbeeld de inrichting van de foyer en de keukens ontworpen.’

Hoe ben je tentoonstellingsontwerper geworden?
‘Ik heb bouwkunde gestudeerd aan de Technische Universiteit (TU) Eindhoven. Eigenlijk ben ik dus architect. Ik heb na mijn studie een tijdje bij een architectenbureau gewerkt, maar dat beviel me niet echt. De processen in architectuur zijn heel traag: er zitten vaak jaren tussen het ontwerpen van een gebouw en het daadwerkelijke bouwen. In die tussentijd krijg je te maken met zaken als inspraakprocedures en gemeentevergunningen. Dat vond ik nogal saai.’

Je maakt nu tentoonstellingen. Die verdwijnen na een tijdje weer. Vind je het niet jammer dat je geen blijvende dingen maakt?
‘Nee, ik heb nooit echt de behoefte gehad om een enorm statement achter te laten in de wereld. Ik vind het juist fijn om snel resultaat te zien. Nu maak ik in korte tijd iets moois. Dat vluchtige en ook de schaal waarmee ik nu werk, spreekt mij aan. Een gebouw is veel kolossaler dan een tentoonstelling.’

Waarom ben je bouwkunde gaan studeren?
‘Ik wist niet precies wat ik wilde en dus heb ik verschillende open dagen bezocht. Ik was altijd wel goed in exacte vakken zoals wiskunde. De TU leek dus wel iets voor mij. De open dag was ook heel erg leuk.’

En hoe was dat, als meisje in zo’n jongensstudie?
‘Nou, eenderde van de studenten was meisje, dus het was niet echt een jongensstudie, hoor. Wat ik erg prettig vond aan de studie is de goede combinatie tussen theoretische en praktische vakken. Anderhalve dag in de week ging je in kleine groepjes met ontwerpopdrachten aan het werk in een atelier. Dat vond ik heel erg leuk om te doen.’

Wanneer ben je een goede tentoonstellingsontwerper?
‘Het idee achter de tentoonstelling speelt een grote rol bij het maken van het ontwerp. Een goede tentoonstellingsontwerper moet dus vooral goed kunnen luisteren, vooral naar degenen die bij de inhoud van de tentoonstelling betrokken zijn.’

Hoe ga je te werk?
‘Ik krijg eerst informatie over het onderwerp van de tentoonstelling, zodat ik me kan inlezen. Ik zoek niet alleen uit waar de tentoonstelling over gaat, maar ook voor wie hij bedoeld is en wat het verhaal erachter is. Ook voer ik gesprekken met mensen die betrokken zijn bij de tentoonstelling. Als ik goed geïnformeerd ben over het onderwerp en ik meer weet over de praktische eisen, dan stel ik verschillende speerpunten op en ga ik schetsen. Zo ontstaan er ideeën voor de vorm en de sfeer. Het beste idee werk ik uit en leg ik voor aan de projectleider van de tentoonstelling. Als die ook enthousiast is, dan ga ik aan de slag met de uitvoering van het idee.’

Wat maakt een goede tentoonstelling?
‘In een goede tentoonstelling is er een goed samenspel tussen inhoud en vorm. Dit is bijvoorbeeld heel goed gelukt in de tentoonstelling ‘Dromen van Piet Sanders’. De witte kleur van het gebruikte materiaal, dat oplicht door de verlichting, zorgt voor een hele mystieke sfeer die goed past bij het onderwerp en de titel.’

Welk onderdeel van het ontwerpproces vind je het leukste?
‘Het zoeken naar de juiste materiaalkeuze, die past bij het onderwerp én bij het budget. Om ideeën te krijgen laat ik me vaak inspireren door bijzondere materialen. Ik heb een hele kast vol met materiaalstalen. Als ik genoeg weet over een tentoonstelling, trek ik me terug in het werkatelier en ga ik knutselen. Ik maak schetsjes en maquettes en zo ontstaat het uiteindelijke idee.’

Is er wel eens iets heel erg mis gegaan met een tentoonstelling?
‘Ja… Ik was bezig met het ontwerp voor een tentoonstelling over constructivisme. Ik wist dat de objecten die in de tentoonstelling kwamen een aantal grote tekeningen waren, maar ik had de tekeningen nog niet gezien. Eén dag voor de opening arriveerden ze pas. Speciaal voor die enorme prenten hadden we verdiepingshoge perspexplaten neergezet. Wat bleek? Het perspex was statisch, de tekeningen plakten er als het ware aan vast en dat is niet goed voor historisch materiaal… Dit hebben we dus snel moeten aanpassen.’

Wat zijn nog meer belangrijke dingen waar je op moet letten bij het maken van een tentoonstelling?
‘Niet alleen de vorm en de sfeer zijn belangrijk. Je moet ook goed nadenken over hoe de bezoeker in de tentoonstelling loopt en over hoe je het verhaal aan hem/haar over wil dragen. De plaatsing van tekst in de tentoonstelling is bijvoorbeeld ook heel belangrijk.’

Kun je in een tentoonstelling  jouw handschrift herkennen?
‘Ik gebruik vaak onverwachte materialen. Ik probeer vaak goedkope materialen op een onverwachte manier te gebruiken. Zo heb ik wel eens een tentoonstelling van piepschuim gemaakt. En plaatmateriaal dat gebruikt wordt voor varkensstallen, dat paste een keer toevallig heel goed bij de sfeer van een tentoonstelling.’

Waar haal je inspiratie vandaan?
‘Vooral uit materiaal, maar ik ga ook wel bij andere musea kijken. Ik vind bijvoorbeeld de tentoonstellingen van het Centraal Museum vaak erg mooi.’

Wat is de mooiste tentoonstelling die jij ooit gemaakt hebt?
‘De tentoonstelling ‘Collage Europa’, daar ben ik heel trots op. Ik kreeg in die tentoonstelling ook helemaal de vrije hand. De grijze en lege sfeer die ik daar heb neergezet, paste heel erg goed bij de sfeer van Oost-Europa, het thema van de tentoonstelling.’

Wat zou je iemand aanraden die tentoonstellingontwerper wil worden?
‘Wij hebben regelmatig stagiaires van de opleiding Interieurarchitectuur. Die opleiding kan je bijvoorbeeld aan de Willem de Kooning academie in Rotterdam volgen. Dat vind ik een goede opleiding voor mensen die tentoonstellingen willen gaan ontwerpen. Je merkt dat deze mensen zowel iets van techniek als van sfeer en communicatie afweten en dat ze getraind zijn om na te denken over de inrichting van ruimtes.’